1. Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing, tenzij het bestek anders bepaalt.
2. Met inachtneming van hetgeen in het zevende lid is bepaald, is de opdrachtgever gerechtigd om
van de aannemer te bedingen dat deze zekerheid stelt voor de nakoming van zijn verplichtingen
die voortvloeien uit de overeenkomst; indien door de aannemer zekerheid dient te worden gesteld,
geldt het bepaalde in het derde tot en met het zesde lid van deze paragraaf.
3. De waarde van de zekerheid is gelijk aan 5% van de aannemingssom en de zekerheid dient te
worden gesteld in de vorm van een bankgarantie.
4. Indien de opdrachtgever voornemens is de bankgarantie in te roepen geeft hij de aannemer
daarvan bij aangetekende brief kennis. De opdrachtgever is gerechtigd de bankgarantie in te
roepen, tenzij de Raad van Arbitrage voor de Bouw, in een door de aannemer binnen tien
werkdagen na de verzending van de in dit lid bedoelde kennisgeving aanhangig te maken
spoedgeschil, in eerste aanleg anders beslist.
5. De zekerheid blijft van kracht tot het tijdstip waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd,
met dien verstande dat, indien sprake is van kleine gebreken als bedoeld in § 9, zevende lid, de
zekerheid van kracht blijft tot het tijdstip waarop de aannemer deze gebreken heeft hersteld. Indien
in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, blijft de zekerheid van kracht tot
overeenkomstig § 11, zesde lid, is geconstateerd dat de aannemer aan zijn verplichtingen heeft
voldaan.
6. Na de dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd, of indien een onderhoudstermijn is
voorgeschreven, na afloop van de onderhoudstermijn, is de aannemer gerechtigd vervangende
zekerheid te stellen tot een bedrag dat in redelijkheid is gemoeid met herstel van de voor zijn
rekening komende gebreken. De opdrachtgever is gehouden de oorspronkelijke zekerheidstelling
terug te geven nadat hij met de vervangende zekerheid heeft ingestemd en deze heeft ontvangen.
7. De opdrachtgever is niet gerechtigd om van de aannemer te bedingen dat deze zekerheid stelt
voor de nakoming van zijn verplichtingen indien is overeengekomen dat de aannemingssom
geheel of ten dele wordt ingehouden. Van een zodanige inhouding is sprake indien, de termijn van
§ 40, zesde lid, eerste zin, buiten beschouwing gelaten, aan de aannemer minder wordt betaald
dan overeenkomt met de som der waarden van het werk dat reeds is uitgevoerd en van de
goedgekeurde nog onverwerkte bouwstoffen, die eigendom van de opdrachtgever zijn geworden.
8. Indien de opdrachtgever hetgeen de aannemer volgens de overeenkomst toekomt, niet of niet
tijdig betaalt, of de aannemer gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de opdrachtgever het
de aannemer toekomende niet of niet tijdig zal betalen, is de aannemer gerechtigd om van de
opdrachtgever genoegzame zekerheid te verlangen. Indien de opdrachtgever in gebreke blijft met
het stellen van de door de aannemer verlangde genoegzame zekerheid, is de aannemer bevoegd,
hetzij de uitvoering van het werk te schorsen, hetzij het werk in onvoltooide staat te beëindigen.
Met betrekking tot de schorsing respectievelijk de beëindiging in onvoltooide staat is het bepaalde
in § 14 van overeenkomstige toepassing. Op de in dit lid bedoelde zekerheid is hetgeen in het
vierde lid is gesteld van overeenkomstige toepassing.