1. De aannemer is verplicht het werk uit te voeren naar de bepalingen van de overeenkomst zonder aanspraak op
verrekening, bijbetaling of schadevergoeding te kunnen doen gelden dan in de gevallen, waarin dat bepaaldelijk
voorgeschreven of kennelijk bedoeld is. Hij is verplicht al datgene te verrichten, wat naar de aard van de
overeenkomst door de wet, de billijkheid of het gebruik wordt gevorderd of tot een behoorlijke aanwending der
bouwstoffen behoort.
2. De aannemer is verplicht het werk uit te voeren volgens de door de directie te verstrekken en de door haar goed te keuren tekeningen. Hij is verplicht de orders en aanwijzingen op te volgen, die hem door de directie worden gegeven.

Orders of aanwijzingen door de directie gegeven dienen dus door de aannemer opgevolgd te worden. Indien
hierdoor echter meer van de aannemer wordt verlangd dan redelijkerwijs kan worden gevergd dan geeft dit recht
op bijbetaling. zie o.a. § 34 en § 36
3. De verplichtingen van de aannemer omvatten mede:

a. de levering van de nodige bouwstoffen en het verrichten van de nodige werkzaamheden;
b. de beschikbaarstelling van gereedschap, materieel, hulpmaterialen, hulpstoffen, hulpwerken en andere
hulpmiddelen, nodig voor de uitvoering van het werk en het verrichten van de nodige hulpwerkzaamheden;
c. de betaling van precario, kosten van aansluiting van hulpleidingen en dergelijke.

Binnen de RAW-systematiek zijn de te leveren materialen beschreven in Deel 2.2 middels een ‘L’ of middels
leverantieposten. De uit te voeren werkzaamheden zijn ook in Deel 2.2 beschreven aan de hand van de
zogenoemde ‘resultaatsbeschrijvingen’.

4. Het werk en de uitvoering daarvan zijn voor rekening van de aannemer met ingang van de datum van aanvang of zoveel eerder als de aannemer ingevolge § 7, tweede lid, met het werk begint, tot en met de dag waarop het
werk overeenkomstig het bepaalde in § 10, eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd. Onder het
werk en de uitvoering daarvan worden mede begrepen de voorbereiding, de aanvoer van bouwstoffen, de
uitvoering van hulpwerken, de doelmatigheid en capaciteit van werktuigen en gereedschappen.
5. De uitvoering van het werk moet zodanig zijn, dat de totstandkoming van het werk overeenkomstig de volgens § 8, eerste lid, in het bestek voorgeschreven termijn verzekerd is.
6. De wijze van uitvoering van het werk moet zodanig zijn, dat voor de opdrachtgever dan wel voor derden geen
nodeloze hinder is te duchten. De aannemer dient het werk zodanig uit te voeren, dat daardoor schade aan
personen, goederen of milieu zoveel mogelijk wordt beperkt.

De aannemer dient dus schade aan personen, goederen of milieu zoveel mogelijk te beperken. zie ook § 6 lid 1.

7. Onvoldoend werk wordt binnen een door de directie in billijkheid te stellen termijn tot haar genoegen door de
aannemer verbeterd of vernieuwd. Deze verbetering of vernieuwing geschiedt op kosten van de aannemer,
tenzij het onvoldoend werk het gevolg is van een omstandigheid die voor rekening van de opdrachtgever komt.
8. De aannemer is aansprakelijk voor schade aan met het werk in verband staande werken van de opdrachtgever
en aan andere werken en eigendommen van de opdrachtgever, voor zover deze door de uitvoering van het werk
is toegebracht en is toe te rekenen aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de
aannemer, zijn personeel, zijn onderaannemers of zijn leveranciers.
9. De aannemer vrijwaart de opdrachtgever tegen aanspraken van derden tot vergoeding van schade, voor zover
deze door de uitvoering van het werk is toegebracht en is toe te rekenen aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of
verkeerde handelingen van de aannemer, zijn personeel, zijn onderaannemers of zijn leveranciers.

Vrijwaring betekent hier dat de aannemer aansprakelijk is voor schade die door een derde partij aan de
opdrachtgever wordt gericht, maar enkel indien hij schuldig wordt geacht aan die schade of wanneer hem
nalatigheid wordt verweten.

10. De aannemer zorgt voor de tijdige verkrijging van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke toestemmingen, die hij nodig heeft of wenst, voor zover zij niet behoren tot die, waarvoor de opdrachtgever ingevolge het bepaalde in § 5, eerste lid, sub a zorg draagt.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan een parkeervergunning voor de werkauto’s van het personeel van de aannemer.

11. De aannemer wordt geacht bekend te zijn met de voor de uitvoering van het werk van belang zijnde wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, voor zover deze op de dag van aanbesteding in werking zijn getreden. De aan de naleving van deze voorschriften en beschikkingen verbonden gevolgen zijn voor zijn rekening.

De aannemer dient op de hoogte te zijn van alle wettelijke eisen en dient de kosten hiervan in zijn aanbieding te
hebben verdisconteerd, bijvoorbeeld Arbo-regelgeving.

12. De gevolgen van de naleving van voorschriften van bijzondere aard zijn voor rekening van de aannemer, tenzij redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat hij deze voorschriften niet behoefde te kennen. In dit laatste geval heeft hij aanspraak op bijbetaling.
13. De gevolgen van de naleving van wettelijke voorschriften of beschikkingen van overheidswege, die na de dag van aanbesteding in werking treden, komen voor rekening van de opdrachtgever, tenzij redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aannemer die gevolgen reeds op de dag van aanbesteding had kunnen voorzien. Indien echter in de overeenkomst bepalingen zijn opgenomen betreffende de verrekening van wijzigingen van lonen en sociale lasten of van prijzen, huren en vrachten, komen de gevolgen daarvan slechts voor rekening van de opdrachtgever, indien en voor zover zulks uit die bepalingen voortvloeit.

Het gaat in dit artikel over van overheidswege ingestelde regelgeving. Bijvoorbeeld, gevolgen van onverwachte
beperkingen door Corona−regelgeving, aslastbeperkingen of afsluitingen van (autosnel-) wegen. zie ook § 5 lid 6

14. Indien de constructies, werkwijzen, orders en aanwijzingen, bedoeld in § 5, tweede lid, dan wel de bouwstoffen of hulpmiddelen, bedoeld in § 5, derde lid, klaarblijkelijk zodanige fouten bevatten of gebreken vertonen, dat de aannemer in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou handelen door zonder de directie daarop te wijzen tot uitvoering van het desbetreffende onderdeel van het werk over te gaan, is hij voor de schadelijke gevolgen van zijn verzuim aansprakelijk. Het in dit lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de in § 5, vierde lid, en deze paragraaf, zevenentwintigste lid, bedoelde gevallen.

In dit artikel is de contractuele waarschuwingsplicht van de aannemer beschreven vanwege klaarblijkelijke fouten
of gebreken. Zie ook de volgende artikelen waarin de aannemer de opdrachtgever óf soms de directie in kennis moet stellen: § 2 lid 5, § 6 lid 15 en 16a, § 29, § 36 lid 1a § 47 lid 3 en § 44

De in de aanbestedingsfase geldende précontractuele waarschuwingsplicht is vastgelegd in 7:754 BW

15. Indien de aannemer meent, behalve op de aannemingssom, op de vergoeding van de omzetbelasting en op de verrekening ingevolge de §§ 35 tot en met 39, nog andere aanspraken jegens de opdrachtgever te hebben, geeft hij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk aan deze kennis en in elk geval op zodanig tijdstip dat de directie de ter zake nodige gegevens kan verzamelen. Aan het verzamelen van die gegevens verleent de aannemer zijn medewerking. De opdrachtgever of de directie kan van de aannemer nadere inlichtingen verlangen omtrent de door hem kenbaar gemaakte aanspraken.

Dit artikel beschrijft de procedure die een aannemer moet volgen indien hij meent schade te leiden, bijvoorbeeld
stagnatieschade. Het direct melden (bij de opdrachtgever!) is een belangrijk aandachtspunt zodat de directie de
omvang van de schade kan verifiëren en eventueel vervangend werk kan aanbieden. Een schadevergoeding is
geen vorm van meerwerk en dient dus buiten de meer-minderwerkafrekening gehouden te worden.

Indien het voor de directie duidelijk was dat er sprake was van schade voor de aannemer dan is enkel het te laat
melden door de aannemer een niet voldoende argument om de hele claim van de aannemer ter zijde te schuiven.

De directe Uitvoeringskosten en Algemene kosten kunnen ook gezien worden als schade. Als er sprake is van
omzetderving dan kan ook winst tot de geleden schade gerekend worden.

16. De aannemer zorgt voor orde en veiligheid op het werk. Hij zorgt tevens voor een zodanige verlichting én
prettige werksfeer, dat een goede uitvoering van het werk gewaarborgd is.

16a. Wanneer bij de uitvoering van het werk voorwerpen of stoffen worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs
geacht kan worden dat deze schade kunnen toebrengen aan personen, goederen of milieu, brengt de aannemer
dit onmiddellijk ter kennis van de directie. Hij neemt terstond, zo mogelijk in overleg met de directie, de door de
omstandigheden vereiste veiligheidsmaatregelen.

Verrekening van extra gemaakte kosten vanwege schorsing of wijziging van de wijze van uitvoering van
werkzaamheden kunnen worden verrekend overeenkomstig het bepaalde in § 14 en § 34.
zie ook § 6 lid 15, § 29 en RAW-bepaling 01.01.13

17. De aannemer is verplicht alle onbekwame dan wel ongeschikte personen, die van zijnentwege of vanwege een onderaannemer of leverancier op het werk aanwezig zijn, op verlangen van de directie onverwijld daarvan te
doen verwijderen.
18. De aannemer moet gedurende de uitvoering van het werk op of in de nabijheid van de plaats, waar het wordt
uitgevoerd, aanwezig zijn, tenzij de directie zulks onnodig oordeelt of een gevolmachtigde hem overeenkomstig
§ 4 vertegenwoordigt.

Het is aan te bevelen om hierover iets anders af te spreken bijvoorbeeld een telefonische bereikbaarheid.

19. De aannemer zorgt er voor, dat bij de uitvoering van het werk, tenzij hijzelf of zijn gevolmachtigde ter plaatse is, steeds een persoon aanwezig is, die de opdracht heeft orders of aanwijzingen van de directie op te volgen en
deze onverwijld aan hem of zijn gevolmachtigde over te brengen.
20. De aannemer verleent toegang tot het werk en het werkterrein aan de personen, die door de opdrachtgever of de directie tot toegang zijn gemachtigd, voor zover hij daartegen geen redelijke bezwaren heeft.
21. Behalve het te werk gestelde personeel en uit anderen hoofde bevoegde personen mag de aannemer andere
personen op het werk en het werkterrein toelaten voor zover de opdrachtgever of de directie daartegen geen
redelijke bezwaren kenbaar maakt.
22. De aannemer zorgt er voor, dat de directie en door de directie aangewezen personen, voor zover
fabrieksgeheim zich daartegen niet verzet, vrije toegang hebben tot de terreinen, fabrieken, werkplaatsen en
loodsen, zowel van de aannemer als van onderaannemers en leveranciers, waar werkzaamheden ten behoeve
van het werk worden verricht of voor het werk bestemde bouwstoffen zijn opgeslagen, teneinde de
werkzaamheden respectievelijk de bouwstoffen te inspecteren.
23. Indien uit hoofde van fabrieksgeheim vrije toegang als bedoeld in het voorgaande lid niet of niet ten volle kan worden gegeven, moet hiervan kennis worden gegeven:

a. bij de inschrijving, indien de bevoegdheid tot het verlenen van vrije toegang bij de aannemer berust;
b. bij de aanvraag tot goedkeuring van de betrokken onderaannemer of leverancier, indien de bevoegdheid bij een van hen berust.

Een kennisgeving als bedoeld onder a zal niet worden aangemerkt als een aan de inschrijving verbonden
voorwaarde.
24. Indien twee of meer personen tezamen een werk hebben aangenomen, zijn zij hoofdelijk voor de gehele
uitvoering daarvan aansprakelijk. Zij zijn verplicht een van hen schriftelijk aan te wijzen om hen in alle opzichten
te vertegenwoordigen.
25. De aannemer mag het werk niet geheel of ten dele aan een ander overdragen zonder schriftelijke goedkeuring van de opdrachtgever.

In het geval van bijvoorbeeld bedrijfsovernames dient een opdrachtgever eerst akkoord te gaan.

26. De aannemer kan bepaalde onderdelen van het werk in onderaanneming laten uitvoeren, mits voor de keuze
van deze onderdelen en van de daarvoor in te schakelen onderaannemers de schriftelijke goedkeuring van de
directie is verkregen; deze goedkeuring zal niet mogen worden onthouden op onredelijke gronden. De
aannemer blijft niettemin jegens de opdrachtgever voor die onderdelen ten volle verantwoordelijk.

Een goedkeuring van een voorgestelde onderaannemer door de directie is vereist maar in het geval van afkeuring dient de directie daartoe wel een goede onderbouwing te overleggen.

27. Indien door of namens de opdrachtgever het inschakelen van een bepaalde onderaannemer of leverancier is of wordt voorgeschreven, is de aannemer voor wat het presteren van die onderaannemer of leverancier betreft
jegens de opdrachtgever tot niet meer gehouden dan tot datgene, waartoe de aannemer die onderaannemer of
leverancier kan houden krachtens de voorwaarden door deze gehanteerd en zoals deze door de opdrachtgever
zijn aanvaard of goedgekeurd.

Indien de voorgeschreven onderaannemer of leverancier niet, niet tijdig of niet deugdelijk presteert en de
aannemer het redelijkerwijs nodige heeft gedaan om nakoming en/of schadevergoeding te verkrijgen, zal de
opdrachtgever de voor de aannemer ontstane meerdere kosten aan hem vergoeden, voor zover deze hem niet
zijn vergoed door de onderaannemer of leverancier. Daartegenover zal de aannemer, op eerste verzoek van de
opdrachtgever, aan deze zijn vordering op de voorgeschreven onderaannemer of leverancier cederen tot aan
het door de opdrachtgever aan hem vergoede bedrag.

Cederen betekent afstaan of overdragen aan een ander.

28. Indien onderdelen van het werk in onderaanneming worden uitgevoerd, zal de aannemer de onderaannemer
volledig inlichten omtrent de bepalingen van het bestek, die bij het desbetreffende onderdeel van belang
kunnen zijn, en omtrent de wijze van uitvoering.
29. Orders en aanwijzingen betreffende die onderdelen zullen door de directie uitsluitend aan de aannemer worden
kenbaar gemaakt en zullen door deze aan de onderaannemer worden doorgegeven, tenzij de aannemer na
overleg met de onderaannemer schriftelijk verzoekt bedoelde orders en aanwijzingen tevens rechtstreeks aan
de onderaannemer mede te delen.
30. De aannemer is verplicht ter zake van de overeenkomst in Nederland domicilie te hebben voor zover hij niet
reeds in Nederland is gevestigd.

Onder ‘domicilie’ wordt formeel verstaan, de plaats waar de onderneming is gevestigd of het postadres.