1. Indien de opdrachtgever de in gevolge de overeenkomst verschuldigde betalingen niet tijdig verricht en de
vertraging niet het gevolg is van een omstandigheid waarvoor de aannemer verantwoordelijk is, heeft deze
aanspraak op vergoeding van rente tegen het wettelijk percentage met ingang van de dag, waarop de betaling
uiterlijk had moeten geschieden. De rentevordering van de aannemer zal nimmer omvatten rente van rente.
Naast het in dit lid genoemde percentage kan bij een te late betaling de Wettelijke handelsrente in rekening
worden gebracht met als doel dat betalingen sneller worden gedaan. Volgens artikel 6:119a BW is de Wettelijke
handelsrente van toepassing op een overeenkomst tussen bedrijven onderling of tussen bedrijven en
overheidsorganisaties. De Wettelijke handelsrente wordt halfjaarlijks vastgesteld en varieert de afgelopen jaren
tussen de 10 à 12 %.
2. Indien na verloop van twee weken sedert de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden, deze nog niet heeft plaats gevonden en een nadien door de aannemer verzonden schriftelijke aanmaning na verloop van veertien dagen evenmin tot betaling heeft geleid, wordt het in het voorgaande lid bepaalde percentage na het verstrijken van die veertien dagen met 2 verhoogd, en is de aannemer bevoegd, mits hij zulks in de aanmaning heeft vermeld, hetzij de uitvoering van het werk te schorsen tot de opdrachtgever het door hem verschuldigde heeft betaald, hetzij het werk in onvoltooide staat te beëindigen. Met betrekking tot de schorsing respectievelijk de beëindiging in onvoltooide staat is het bepaalde in § 14 van overeenkomstige toepassing.
De in dit artikel genoemde 2% rente gaat in na 14 dagen na een door de aannemer verzonden aanmaning.
Tevens is de aannemer nu gerechtigd om het werk te schorsen mits hij dat in de aanmaning heeft vermeld.
3. Het bepaalde in het tweede lid omtrent schorsen en beëindigen in onvoltooide staat is niet van toepassing,
indien de vordering van de aannemer betrekking heeft op een bedrag, waaromtrent de opdrachtgever een
spoedgeschil aanhangig heeft gemaakt.
4. Indien de opdrachtgever in staat van faillissement wordt verklaard, is de aannemer bevoegd de curator te
sommeren om binnen acht dagen te verklaren of hij bereid is het werk te doen voortzetten onder zodanige
genoegzame zekerheidstelling als de aannemer blijkens de sommatie verlangt. Indien de curator zich bereid
verklaart het werk te doen voortzetten, is hij verplicht bij die verklaring de verlangde zekerheid te stellen. Indien
de curator niet bereid is het werk te doen voortzetten, is de aannemer gerechtigd het werk in onvoltooide staat
te beëindigen. Met betrekking tot de beëindiging in onvoltooide staat is het bepaalde in § 14 van overeenkomstige toepassing.
5. Ingeval de opdrachtgever onder curatele wordt gesteld, is het bepaalde in het vierde lid van overeenkomstige
toepassing. Ingeval de opdrachtgever surseance van betaling wordt verleend of hij met rechterlijke machtiging in
een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst, is het bepaalde in het vierde lid eveneens van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor ‘de curator’ wordt gelezen ‘de opdrachtgever en de bewindvoerder’
onderscheidenlijk ‘de provisionele bewindvoerder of de curator’.
6. Ingeval de opdrachtgever overlijdt, is de overeenkomst niet uit dien hoofde ontbonden. Het bepaalde in het
vierde lid is alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘de curator’ wordt gelezen ‘de
erfgenamen’. Indien de aannemer zulks verlangt, zijn de erfgenamen verplicht één van hen of een derde
schriftelijk aan te wijzen om hen in alle opzichten te vertegenwoordigen.