1. Met inachtneming van § 5, derde en vierde lid, alsmede § 6, zevenentwintigste lid, staat de aannemer in voor de goede hoedanigheid van de bouwstoffen, voor de geschiktheid voor hun bestemming en het voldoen aan de
gestelde eisen, alsmede voor de tijdige levering.
2. Indien en voor zover in het bestek is bepaald dat bouwstoffen gekeurd moeten worden, mag de aannemer deze niet verwerken voordat deze zijn goedgekeurd.
3. De directie kan verlangen, dat goedgekeurde bouwstoffen ook nadat zij zijn verwerkt alsnog worden vervangen, indien daaraan na de keuring nog gebreken worden geconstateerd. Deze vervanging geschiedt voor rekening van de opdrachtgever en wordt als meerwerk verrekend, onverminderd het recht van de aannemer op
schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn. Indien echter het gebrek redelijkerwijs niet door de directie had kunnen worden onderkend en het gebrek aan de aannemer kan worden toegerekend, komt deze vervanging voor rekening van de aannemer.
4. De directie is bevoegd een bewijs van oorsprong van bouwstoffen te verlangen.
5. Indien de directie zulks goed vindt, zal de aannemer in plaats van met een fabrieksnaam aangeduide
bouwstoffen andere mogen leveren, mits van overeenkomstige hoedanigheid. De directie onthoudt de
goedkeuring niet op onredelijke gronden.

Een aannemer mag tijdens de uitvoering met het verzoek komen om andere materialen toe te passen dan zoals
die zijn beschreven in het bestek. De directie mag alternatieve producten alleen afwijzen op gronden die genoemd zijn in het bestek en niet enkel afwijzen omdat niet wordt overeengekomen met de specificaties van de leverancier van het voorgeschreven product.

Om discussie bij het beoordelen van gelijkwaardigheid tijdens de uitvoering te voorkomen verdient het
aanbeveling om de minimale gelijkwaardigheidscriteria waaraan een ‘alternatief’ product zou moeten voldoen in
het bestek op te nemen.