1. De bepalingen van deze UAV gelden voor zover daarvan in het bestek niet uitdrukkelijk is afgeweken.
2. Tot het bestek behoren mede, als waren zij er letterlijk in opgenomen, de op het werk van toepassing verklaarde technische normvoorschriften, zoals deze drie maanden voor de dag van aanbesteding luiden.
3. Op de overeenkomst is van toepassing het Nederlandse recht.
4. Indien onderdelen van het bestek onderling tegenstrijdig zijn, wordt, tenzij een andere bedoeling uit het bestek voortvloeit, de rangorde daarvan bepaald aan de hand van de volgende regels:

a. een nieuw geschreven of getekend document gaat voor een oud geschreven of getekend document;
b. de beschrijving gaat voor een tekening;
c. een bijzondere regeling gaat voor een algemene regeling; met dien verstande, dat regel a gaat voor de regels b en c, en regel b voor regel c.

Indien toepassing van deze regels geen uitkomst biedt, wordt de tegenstrijdigheid, met inachtneming van de billijkheid, uitgelegd ten nadele van degene door of namens wie het bestek is opgesteld.

In dit artikel gaat het om tegenstrijdigheden (lees: fouten) tussen onderdelen van het bestek. Hierdoor kunnen er vervelende discussies ontstaan over wie de veroorzaker is van deze tegenstrijdigheid en wie er verantwoordelijk voor moet worden gehouden.

Indien partijen het over de oorzaak van de vergissing niet eens kunnen worden dan regelt de rangorde in § 2 lid 4 dat het jongste document voor dient te gaan. In de praktijk wordt echter een tegenstrijdigheid over het algemeen niet enkel beslecht op basis van de hier genoemde rangorde maar op basis van redelijkheid en billijkheid.

5. Het in het vierde lid bepaalde laat onverlet de verplichting van de aannemer om de directie te waarschuwen in
geval van een klaarblijkelijke tegenstrijdigheid tussen onderdelen van het bestek.

In dit artikel is de contractuele waarschuwingsplicht van de aannemer beschreven vanwege ‘klaarblijkelijke’
tegenstrijdigheid binnen de documenten van een bestek.

Zie ook de volgende artikelen waarin de aannemer de opdrachtgever óf soms de directie moet waarschuwen: § 2
lid 5, § 6 lid 14, 15 en 16a, § 29, § 36 lid 1a § 47 lid 3 en § 44.

De in de aanbestedingsfase geldende pré-contractuele waarschuwingsplicht is vastgelegd in 7:754 BW.