1. Indien in het bestek oppervlakten van grond of water als werkterrein zijn aangeduid, heeft de aannemer
daarover de kosteloze beschikking, zolang de uitvoering van het werk dit nodig maakt. Gebruik van ander terrein
of water als werkterrein is voor rekening van de aannemer.
2. De directie wijst aan, na overleg met de aannemer, welke gedeelten van het werkterrein in gebruik mogen
worden genomen als opslagplaatsen en voor de plaatsing van keten, loodsen, hulpwerken en andere
hulpmiddelen.
3. De aannemer kan vóór de aanvang van het werk schriftelijk vorderen, dat de toestand van het werkterrein zo
goed mogelijk wordt vastgesteld, in welk geval de opneming door de directie in samenwerking met en voor
rekening van de aannemer ten spoedigste plaats vindt. Indien daarbij afwijkingen ten opzichte van de in het
bestek omschreven toestand aan het licht komen, is het bepaalde in § 29, derde lid, van toepassing.
4. Na gebruik en uiterlijk bij de oplevering moet het werkterrein naar genoegen van de directie zoveel mogelijk
weder in de oorspronkelijke toestand worden opgeleverd.