1. De opdrachtgever is bevoegd de uitvoering van het werk voor het geheel of voor een gedeelte te schorsen.
2. In spoedeisende gevallen is de directie, hangende de beslissing van de opdrachtgever, voorlopig tot zodanige
schorsing bevoegd.
Als de aannemer vindt dat hij schade lijdt als gevolg van de schorsing dan dient hij dit direct, bij formeel de
opdrachtgever, kenbaar te maken. zie § 6 lid 15
Een schorsing van het werk door de aannemer doet zich niet gauw voor. Een voorbeeld hiervan zou kunnen zijn
wanneer de opdrachtgever zijn betalingsverplichtingen niet nakomt of wanneer een meerwerkopdracht nog niet
financieel is goedgekeurd. Het opschorten (stilleggen) van werkzaamheden door de aannemer dient
proportioneel te zijn.
3. Gedurende de schorsing is de aannemer verplicht:
a. in overleg met de directie gepaste maatregelen te nemen ter voorkoming en beperking van schade, die aan
het werk zou kunnen ontstaan;
b. na te laten zowel hetgeen schade aan het werk ten gevolge zou kunnen hebben als hetgeen de latere
voortzetting zou kunnen bemoeilijken.
4. Voorzieningen, die de aannemer ten gevolge van de schorsing moet treffen, worden als meerwerk met hem
verrekend. Schade, die de aannemer ten gevolge van de schorsing lijdt, wordt hem vergoed.
In dit artikel is duidelijk het verschil gemaakt tussen meerwerk en schade. Verrekening van schade vindt dus
volgens de UAV niet plaats op de meer-minderwerkafrekening.
5. Indien de schorsing langer dan één maand duurt, kan de aannemer bovendien vorderen, dat een evenredige
betaling voor het uitgevoerde gedeelte van het werk plaats heeft. Daarbij wordt rekening gehouden met de nog
niet verwerkte bouwstoffen, voor zover deze in verband met het bepaalde in § 19 eigendom van de opdrachtgever zijn geworden. Nog niet verwerkte voor keuring gereed zijnde bouwstoffen worden op verzoek
van de aannemer eerst nog gekeurd.
6. Indien de schorsing van het gehele werk langer duurt dan zes maanden, is de aannemer bevoegd het werk in
onvoltooide staat te beëindigen.
7. De opdrachtgever is bevoegd de aannemer op te dragen het werk in onvoltooide staat te beëindigen.
8. Wanneer door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden de uitvoering van het werk
gedurende meer dan twee maanden ononderbroken is vertraagd, is de aannemer bevoegd het werk in
onvoltooide staat te beëindigen.
9. In de gevallen bedoeld in het zesde, zevende en achtste lid zal de opdrachtgever zo spoedig mogelijk na de
beëindiging het werk overnemen. De aannemer is tot aan de overneming van het werk door de opdrachtgever
gehouden de in het derde lid bedoelde verplichtingen na te komen.
10. De aannemer heeft alsdan recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de
niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten.
Aanspraken van de aannemer en de opdrachtgever op hetgeen overigens ter zake van de overeenkomst
verschuldigd is blijven onverlet.
Ook de extra gemaakte kosten als gevolg van de vroegtijdige beëindiging komen in aanmerking voor vergoeding.