1. Indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, gaat deze termijn in onmiddellijk na de dag
waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in § 10, eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd.
2. De aannemer is gehouden gebreken, welke in de onderhoudstermijn aan de dag treden, te herstellen, met
uitzondering echter van die, waarvoor de opdrachtgever op grond van § 5, tweede lid de verantwoordelijkheid
draagt of waarvoor hij op grond van § 5, derde of vierde lid, aansprakelijk is.
Onder de in dit lid bedoelde gebreken vallen niet die gebreken die het gevolg zijn van onjuist of onzorgvuldig
gebruik dan wel gekwalificeerd kunnen worden als normaal te verwachten slijtage als gevolg van het feitelijke
gebruik.
3. Het in het tweede lid bedoelde herstel geschiedt voor rekening van de aannemer, tot genoegen van de directie
en binnen een door haar in billijkheid te stellen termijn.
4. In de onderhoudstermijn optredende schade aan het werk is voor rekening van de opdrachtgever, met
uitzondering echter van die schade, welke het gevolg is van door de aannemer verricht onvoldoend werk. In het
laatste geval is het bepaalde in het derde lid van overeenkomstige toepassing.
5. Indien de aannemer zich desgevraagd verbindt tot herstel van niet voor zijn rekening komende gebreken of
schade aan het werk, geschiedt de verrekening daarvan als meerwerk.
6. Na afloop van de onderhoudstermijn zal het werk wederom worden opgenomen om te constateren, of de
aannemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan, waarbij wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in § 9.
Onderhoudswerkzaamheden zoals watergeven, grasmaaien of het verwijderen van onkruid vallen niet
automatisch onder de onderhoudstermijn. Indien dit soort werkzaamheden ná oplevering van de aannemer nog
wordt gewenst dan dienen deze nadrukkelijk in het bestek te zijn opgenomen.