1. De opdrachtgever zorgt er voor, dat de aannemer tijdig kan beschikken:
a. over de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke toestemmingen, die voor de opzet van het werk volgens het bestek vereist zijn;
b. over het terrein of het water, waarop of waarin het werk moet worden uitgevoerd;
c. over de benodigde tekeningen en andere gegevens;
d. over de verstrekkingen, die de opdrachtgever ingevolge de overeenkomst doet.
Indien de aard van het werk hiertoe aanleiding geeft, houdt de directie vóór de aanvang van het werk een
bouwbespreking met de aannemer en de leidingbeheerders, waarbij de aannemer wordt ingelicht omtrent de
juiste ligging van de zich in of nabij het werk en het werkterrein bevindende ondergrondse kabels en leidingen
en waarbij wordt vastgesteld wat daarmee moet geschieden. Indien de directie deze bouwbespreking niet
houdt, zal de aannemer vóór de aanvang van het werk om het houden van die bespreking verzoek. De directie
zal aan dit verzoek gevolg geven.
De opdrachtgever dient ervoor te zorgen dat het werkterrein, waaronder ook wegen en parkeerplaatsen, ter
beschikking staat van de aannemer en dat de noodzakelijke vergunningen geregeld zijn, bijvoorbeeld de
omgevingsvergunning, een vergunning om wegen of parkeerplaatsen af te zetten of de wijze waarop omleidingen dienen te worden aangegeven, etc.
2. De opdrachtgever draagt de verantwoordelijkheid voor de door of namens hem voorgeschreven constructies en werkwijzen, daaronder begrepen de invloed die daarop door de bodemgesteldheid wordt uitgeoefend, alsmede voor de door of namens hem gegeven orders en aanwijzingen.
De aannemer dient de directie tijdig in kennis te stellen van door hem geconstateerde klaarblijkelijke fouten etc.
zoals genoemd in § 6 lid 14.
3. Indien bouwstoffen of hulpmiddelen, die de opdrachtgever ter beschikking heeft gesteld, gebreken mochten
hebben, is de opdrachtgever aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.
4. De opdrachtgever is aansprakelijk voor de functionele ongeschiktheid:
a. van door hem voorgeschreven bouwstoffen;
b. van bouwstoffen, die bij een door hem voorgeschreven leverancier moeten worden betrokken, tenzij de
aannemer een keuzemogelijkheid had met betrekking tot deze bouwstoffen.
Onder de functionele ongeschiktheid van bouwstoffen wordt verstaan het naar hun aard niet geschikt zijn van
deze bouwstoffen voor het doel waarvoor zij blijkens het bestek zijn bestemd.
5. (Vervallen)
Onderstaande tekst was al komen te vervallen in de UAV 2012 en is opgenomen in § 6 lid 27
De opdrachtgever is aansprakelijk voor de niet of niet tijdige levering:
a. van bouwstoffen die bij een voorgeschreven leverancier moeten worden betrokken;
b. van door hem voorgeschreven bouwstoffen, tenzij de aannemer een keuzemogelijkheid had met betrekking
tot de leverancier van deze bouwstoffen, mits in elk van de beide gevallen de aannemer het redelijkerwijs
nodige heeft gedaan om nakoming en/of schadevergoeding te verkrijgen.
6. Indien wettelijke voorschriften of beschikkingen van overheidswege hogere eisen aan het werk stellen dan in de overeenkomst is bepaald, zullen wijzigingen van het werk, welke nodig zijn om aan die eisen te voldoen, worden verrekend als meerwerk.
Het gaat hier over hogere eisen aan het ‘werk’, welke pas tijdens de uitvoering worden gesteld, bijvoorbeeld
aangescherpte eisen ten aanzien van stikstof of enkel het gebruik van elektrisch aangedreven materieel en
gereedschappen. zie ook § 6 lid 13
7. De opdrachtgever zal het aan de aannemer toekomende volgens de in de overeenkomst gestelde regelen
voldoen.
Een voorbeeld van ‘het aan de aannemer toekomende’ is het op tijd betalen van de aannemer.
8. Indien het bouwterrein, de uit het werk komende oude bouwstoffen of de door de opdrachtgever ter
beschikking gestelde bouwstoffen verontreinigd zijn, wordt de aard en de omvang daarvan, voor zover voor de
uitvoering van het werk van belang, in het bestek vermeld. De opzet van het werk zal zodanig zijn, dat daardoor
schade aan personen, goederen of milieu zoveel mogelijk wordt beperkt.
De aannemer dient zijn werkzaamheden zo in te richten dat daardoor schade aan personen, goederen en milieu
zoveel mogelijk word beperkt. zie ook § 6 lid 1 en 6